Bij het geven van een interview is het altijd afwachten wat er uiteindelijk geschreven wordt. Zo zwerft er in ouwe kranten en op het internet vaak het eea aan “quotes” en uitspraken die toch niet helemaal de lading dekken van wat je destijds bedoelde. Daar voel ik me dan altijd nog wat ongemakkelijk bij. A.s. vrijdag open ik, samen met Die Anarchistische Abendunterhaltung het State X New Forms festival. En daarmee werd één zo’n oude quote die me dwars zat weer actueel.
Toen ik (lang geleden) in mijn tweede jaar van de kunstacademie zat, was ik al veel bezig met muziek maken. Geregeld nam ik instrumenten mee naar de academie en organiseerde (experimentele) muziekavonden/sessies. Ik voelde mij – ook door de destijds nog redelijk ongebruikelijke instrumenten als banjo’s, mandolines e.d. – uniek, eigenzinnig en vooruitstrevend (in mijn jeugdig enthousiasme). Voor mijn medestudenten echter, was het al snel gewoon (“daar heb je ‘m weer met z’n banjo”). Ik voelde me miskend. Toen in die tijd een plaat uitkwam van enkele klassiek geschoolde 17-jarige knapen vol bravoure (bovengenoemd DAAU) en mijn medestudenten (lees meisjes ) massaal vielen voor hun muzikale excentriciteit en charmante verschijning kon ik weinig anders dan deze muzikanten verwerpen. Ik was jaloers en vond het belachelijk dat de meisjes niet zagen wat zich in hun nabije omgeving afspeelde. Haha.

Ik vond dit een mooie anecdote en daarom vertelde ik die in een enthousiaste, praatgrage bui, bij een van mijn eerste interviews destijds bij El Pino and the Volunteers. Vandaag de dag staat er dus nog steeds ergens te lezen wat een “enorme hekel ik had aan die gasten van DAAU”.
De context van die uitspraak was dus wel belangrijk.
Afijn. Nu ik dat heb recht gezet kan ik eindelijk weer rustig slapen.